Wa make*: wat Vlaanderen kan leren van stadsvernieuwing in Genk

  • 9 maart 2016

Al enkele jaren toont Genk zich als een van de meest ambitieuze steden op het vlak van stadsvernieuwing en stedelijk beleid. Waarom is Genk vooruitstrevend? Op welke manier is Genk exemplarisch voor Vlaanderen? Wat kan Vlaanderen leren van Genk?

De 20ste-eeuwse stad

Genk is geen stad als andere steden in Vlaanderen. Het is geen concentrische stad met een dichtbebouwde kern zoals bijvoorbeeld Antwerpen, Leuven of Hasselt. Dat zijn steden die organisch tot stand zijn gekomen binnen de duidelijke contouren van een stadsomwalling. In Genk is dat niet het geval. In het begin van de 20ste eeuw was Genck slechts een gehucht. Toen men steenkool ontdekte in de ondergrond, ging het plots razendsnel. Grote infrastructuren en bouwprojecten, zoals de steenkoolmijnen, de terrils, de tuinwijken, het Kolenspoor, het Albertkanaal en later ook de autosnelweg – palmden het gebied in zonder zich al te druk te maken over het bestaande landschap.

Veel andere steden die pas in de 20ste eeuw zijn ontstaan, denk aan Louvain-la-Neuve of het Nederlandse Almere, zijn zorgvuldig geplande steden, eerst op papier bedacht en vervolgens in relatief korte tijd gerealiseerd. In Genk is ook dat niet het geval. Hoewel veel (tuin)wijken en fragmenten in de stad volgens duidelijke concepten zijn gepland, gebeurde dat telkens volgens een ander stramien, aangepast aan de gangbare planningsideeën van een specifieke periode. Veel plannen zijn slechts gedeeltelijk uitgevoerd, zoals het Plan d’Ensemble voor de ontsluiting van de steenkoolmijnen, de ontwikkeling van de centrale stadsstrip of de bouw van de satellietstad Nieuw-Sledderlo. De stedelijke ontwikkeling in Genk verliep dus geenszins organisch of concentrisch, maar met horten en stoten en telkens op andere plaatsen. Het resultaat is een stadsweefsel waar niet één model aan kan worden toegeschreven, maar dat een onsamenhangend ratjetoe is van individuele fragmenten en patronen.

Vlaanderen in het klein

De voorbije decennia zijn de Vlaamse centrumsteden volop bezig geweest met de vernieuwing van hun historische centra. Er is veel onderzoek gedaan en er is veel knowhow ontstaan over stadsvernieuwing in hetzij de middeleeuwse, hetzij de 19de-eeuwse gordel. Er zijn goede voorbeelden te over. Men weet intussen hoe men dat moet aanpakken. Vandaag echter kijkt een stad als Antwerpen – denk aan Labo XXGenk Rasterstad – voor het eerst ook naar het verstedelijkte gebied buiten de oude stadsmuren. Het is niet echt stad, maar het is zeker geen platteland. Eigenlijk weet men nog niet zo heel goed wat ermee aan te vangen.

En Genk? Genk heeft nooit iets anders gekend! Net zoals in Vlaanderen de gangbare definities van stad, dorp en platteland niet meer geldig zijn, is dat ook in Genk het geval. De stad lijkt eerder op een verstedelijkte regio dan op een duidelijk afgebakende stedelijke ruimte. Het is een stad zonder duidelijke structuur, waar dichtbebouwde wijken, open ruimte, brede wegen, bossen, villaverkavelingen en industrie door en naast elkaar liggen. Er is geen echt centrum, maar er zijn vele centra. Genk is la città diffusa, de nevelstad, de rasterstad. Genk is Vlaanderen in het klein.

Inzetten op ontwerpend onderzoek

De weerbarstige stedelijke ruimte van Genk is één ding. Daar komt nog bij dat de stad, onder meer wegens de sluiting van de Fordfabriek, worstelt met enorme economische uitdagingen, en dat Genk, als erfgenaam van de mijnen, een van de meest – en een van de oudste – multiculturele steden van het land is. Dat alles vraagt om een sterk bestuur. Genk heeft de voorbije jaren een manier van werken ontwikkeld die sterk inzet op degelijke voortrajecten, die ontwerpend onderzoek niet als tijdverlies beschouwt, maar als verdieping van het beleid en een bescherming tegen ondoordachte beslissingen in de fragiele rasterstad.

En er gebeurt heel wat in Genk. De lijst van ontwerpend onderzoek is lang. De stad experimenteert en onderzoekt. Er is het masterplan voor Kattevennen, de poort naar het natuurgebied Hoge Kempen (Delva Landscape Architects en Plusoffice). Er is het masterplan voor het Sportpark (Lola, List en Antea) met de nieuwe sporthal van Bel architecten als eerste verwezenlijking. Er is het werk van Buur om de satellietstad Nieuw-Sledderlo uit haar ruimtelijke en sociale isolement te halen. Er zijn de ambitieuze plannen voor de Welzijnscampus, waar zorg en andere diensten gebundeld worden. Er is het ontwerpend onderzoek naar de Stiemerbeekvallei en het potentieel om deze terug zichtbaar te maken in de stad. Er is het onderzoek naar de Evence Coppéelaan, de veel te brede autoweg die de stadsstrip verbindt met C-mine, en naar de Europalaan en de transformatie van de stadsstrip. Het is ten slotte ook uitkijken naar de resultaten van het ontwerpend onderzoek van Plusoffice rond het momenteel zo goed als ongebruikte Kolenspoor, dat wel eens opnieuw een ader van betekenis zou kunnen worden voor nieuwe vormen van energie, circulaire economie en innovatieve mobiliteit.

Bouwen aan een productieve stadGenk Rasterstad

De drie grote mijnsites van weleer zijn momenteel in volle transitie. Iedereen kent intussen de succesvolle reconversie van de mijn van Winterslag tot C-mine als centrum voor cultuur, creatie en onderwijs. Op de voormalige mijnsite van Waterschei ontstaat het Thorpark, een technologiepark dat inzet op innovatie en onderzoek naar nieuwe vormen van energie, smart cities, en onder meer een opleidingscentrum dat de voormalige fabrieksarbeiders moet klaarstomen voor de nieuwe economie. Op de mijnsite van Zwartberg is net de eerste steen gelegd van La Biomista, de nieuwe uitvalsbasis van kunstenaar Koen Vanmechelen. Er bestaan wellicht geen precedenten van zulk een initiatief waarbij een kunstenaarspraktijk de motor kan zijn om de hele stad in beweging te zetten en de omwonenden te stimuleren om zelf activiteiten te ontplooien op het raakvlak van voedselproductie, horeca, natuurbeheer en toerisme.

Al die projecten en onderzoeken hebben drie zaken met elkaar gemeen. Ten eerste bouwen ze verder aan een model van de rasterstad. Ze streven geen klassiek stadsmodel na, maar zetten net in op die polycentrische, diverse stad. Ten tweede werken ze aan een productieve stad. Het nieuwe economische model waar Genk zijn kaarten op inzet, is niet meer dat van de ‘monocultuur’, zoals dat vroeger het geval was met de mijnen of de auto-industrie. De economie wordt geïntegreerd in de stad en gedifferentieerd in meer kleinschalige kenniseconomie, technologische innovatie, creatieve economie, onderwijs, zorg, toerisme en stedelijke maakeconomie. Genk bouwt aan een productief alternatief voor de stad als een louter consumptieartikel. Ten derde is de productieve stad ook inclusief. Dat is nodig in een stad waar uitzonderlijk veel laaggeschoolden wonen en waar duizenden voormalige fabrieksarbeiders omgeschoold moeten worden. Het is vooral ook nodig in een stad waar 103 verschillende nationaliteiten wonen en 53% van de bewoners ‘van vreemde origine’ is.

Van multicultureel naar intercultureel

Genk is anders dan andere steden in Vlaanderen, niet alleen qua structuur of stedelijke vorm, maar ook qua samenleving. Wat opvalt als je in Genk rondloopt en met de mensen praat, is de vanzelfsprekendheid waarmee verschillende culturen samenleven. Ook dat is een erfenis van de mijnen. Een van de weinige steden waar huwelijken of vriendschappen tussen Turken en Marokkanen, tussen Italianen en Polen, veel vanzelfsprekend zijn dan elders in Vlaanderen. Oude uitdrukkingen als ‘in de mijn is iedereen zwart’ leven sterk, ook onder de jongere bevolking.

De stad heeft haar rauwe mijnverleden omarmd. Mijnwerkers van toen zijn nog steeds fier op hun metier. Hun nakomelingen cultiveren vandaag het internationale mengtaaltje – citétaal – dat ontstaan is in de mijnen. Fierheid op zijn of haar stad is een wezenlijk ingrediënt voor het functioneren van een stad. Maar het typische chauvinisme dat daar een uiting van is, en dat op een stad een bepaalde identiteit of ‘volksaard’ kleeft – denk aan dat van Antwerpen of Gent – verschijnt in Genk op een heel unieke manier. Integratie is hier geen assimilatie. Genkenaren zijn trots op hun Italiaanse, Marokkaanse, Poolse, Turkse roots, maar vallen er niet mee samen. Dit is wat Genk zo bijzonder maakt. Het is geen multiculturele stad, waar bevolkingsgroepen al dan niet op vreedzame wijze naast elkaar leven, zoals grosso modo het geval is in onze grote steden. Genk evolueert meer en meer naar een interculturele stad. Ook op dat vlak kan Vlaanderen nog heel wat leren van Genk.