Twee blikken op de open ruimte en stadsvernieuwing

  • 17 mei 2020

Het team stedenbeleid sprak met een open blik met Aglaée Degros (Artgineering) en Bas Smets (Bureau Bas Smets) over de open ruimte. In het bijzonder werd gepeild naar stadsvernieuwing in Vlaanderen en waar Vlaanderen zich anno 2020 bevindt in vergelijking met het buitenland.

Aglaée Degros (1972) werd geboren in Leuven en studeerde architectuur in Brussel, Karlsruhe en Tampere. In 2001 richtte ze samen met Stefan Bendiks in Rotterdam het ontwerp bureau Artgineering op om de relatie tussen landschap, stad en infrastructuur te verbeteren. In 2014 verhuisde Artgineering naar Brussel. Aglaée is momenteel hoogleraar en voorzitter van het Instituut voor Stedenbouw aan de Technische Universiteit van Graz en Science Fellow van de Vrije Universiteit van Brussel. 

Bas Smets (1975) werd geboren in Hasselt, maar groeide de eerste jaren op in Congo. Op 17-jarige leeftijd trok hij voor een jaar naar Oregon (VS). Na een academische zoektocht behaalde hij een masterdiploma in architectuur en civiele techniek aan de K.U. Leuven en een postgraduaat in landschapsarchitectuur in Genève. Hij leerde de praktijk bij de bekende Franse landschapsarchitect Michel Desvigne, waar hij zeven jaar werkte. In 2007 richtte hij Bureau Bas Smets, een internationaal gericht landschapsarchitectenkantoor, op in Brussel. Met zijn team van 17 (landschaps)architecten bouwde hij ondertussen in meer dan 12 landen projecten op.

Team stedenbeleid: Hoe lang zijn jullie al vertrouwd met het Vlaamse stedenbeleid?

Aglaée Degros : We werden in 2011 uitgenodigd door Jens Aerts (lokaal begeleider Stadsvernieuwing) om de Oproep van de stad Waregem te beantwoorden. Ze zochten een kantoor voor het masterplan open ruimte in Waregem Zuid te ontwikkelen. Artgineering was onmiddellijk geïnteresseerd in de relevantie van het te bestuderen onderwerp. In 2014 werd Artgineering door de stad Antwerpen ingeschakeld voor de reconversie van de viaduct van Borgerhout. Dit gebeurde met de projectsubsidie Centers Borgerhout (Oproep 2014). Voor ons is het recyclen van de stad door het verbinden van stukken en het transformeren van de publieke ruimte essentieel, maar het is vaak complex en daardoor achterwege gelaten. Daarom is ondersteuning van het Vlaams beleid uiterst relevant.

Bas Smets: Het bureau Bas Smets kwam in contact met de Vlaamse overheid via de Open Oproep en de prijsvragen. Voor ons bureau is de rode draad telkens de publieke ruimte en het bindmiddel het landschap. Via Leiedal was er in Waregem een prijsvraag in de vorm van een publiek-private samenwerking waar ons bureau werd voor ingeschakeld. In Nieuw-Zuid Antwerpen heeft het Bureau Bas Smets sinds 2013 een opdracht lopende met Triple Living. Hier tekenen we de publieke ruimte uit. Daarnaast richten we er de publieke en private buitenruimtes in. We bewaken ook dat de (toekomstige) architecturale kwaliteit in overeenstemming is met het masterplan.

TS: Wat hebben jullie geleerd van Vlaanderen in jullie werk?

A. Degros: De twee stedelijke transformatieprojecten in Waregem en Centers Borgerhout (Antwerpen) hebben ons in staat gesteld methodes te ontwikkelen om te werken in complexe stedelijke situaties waar veel actoren bij betrokken zijn.

Mijn positie in de stadsvernieuwingsjury stelt mij in staat om Vlaamse en Europese kwesties met elkaar te verbinden. Een voorbeeld is de bouw van megaziekenhuizen in heel Europa. Dit gebeurt overal om de kosten van zorgmanagement te rationaliseren. Toch is dit ongunstig voor de stedelijke kwaliteit. Ik zie bijvoorbeeld overeenkomsten tussen de observaties van de steden Genk en Klagenfurt. De Oproep voor de conceptsubsidie en projectsubsidie is een fantastisch inventaris van wat de Vlaamse steden op een bepaald moment bezighoudt. Het is uiterst inspirerend.

B. Smets: Het bestaan en het frequent gebruik van de Open Oproep heeft ons bureau in Vlaanderen leren kennen. In het buitenland zijn ze niet zo vertrouwd met dit instrument. De Open Oproep zorgt ervoor dat er in Vlaanderen een zeer grondige voorbereiding gebeurt bij iedere opdracht. Het exemplarisch opdrachtgeverschap is hierdoor heel erg verbeterd. Opdrachten bevatten in Vlaanderen een zeer goede projectomschrijving. Enerzijds kan de ontwerper daardoor veel beter reageren op vragen van de opdrachtgever bij de indiening. Anderzijds speelt het ook in het voordeel van de opdrachtgever zelf. Sinds een 16-tal jaar ondersteunt en begeleidt de Vlaamse Bouwmeester publieke bouwheren in het kader van concrete opgaven. Door de goede voorbereiding, de goede organisatie en de professionele begeleiding tijdens de open oproep kan de opdrachtgever de projecten veel beter opvolgen. Als opdrachtnemer is het immers moeilijk om ambitieuzer te zijn dan opdrachtgever.

TS: Waar situeert Vlaanderen zich ten opzichte van het buitenland? Wat maakt het uniek of bijzonder?

A. Degros: Vlaanderen leidt op het gebied van architectuur. Als voorbeeld citeert de Weense architectuurcriticus Maik Novotny België in zijn 10 tendensen van het huidige decennium: “Elk decennium heeft zijn landen, waar de architectuurwereld bijzonder geïnteresseerd in is. Was het in de jaren negentig Zwitserland en Nederland en in de jaren negentig Japan, in het decennium van de vorige eeuw was het vooral Vlaanderen in België. Architecten als De Vylder Vinck Tailleu uit Gent combineerden broosheid, constructieve inventiviteit en Belgisch surrealisme. Het Rotor collectief werkt met constructieve recycling en is daarom duurzamer dan menig milieukeurmerk. Ombouw in plaats van nieuwbouw: een trend die zeker vorm zal geven aan de jaren 2020.”

Wat Maik niet noemt is dat de Belgische/Vlaamse architectuur alleen maar mogelijk gemaakt is door een systeem dat de waarde van openbare projecten verhoogde. Het is het beleid van openbare architectuur en stedenbouw: door de Open Oproep en stadsvernieuwing is de kwaliteitssprong in openbare aanbestedingen bereikt. Een kwalitatief project komt voort uit zowel een goede ruimtelijke compositie, als een proces (zoals de kwaliteitskamer door de stadsvernieuwing ) dat het ondersteunt. Volgens mij is dat het geheim van de Vlaamse architectuur.

B. Smets: Het buitenland kijkt op naar deze werkwijze! In Vlaanderen is er een zeer hoge kwaliteit bij kleine projecten. En dit niet enkel in de grote steden maar ook in de middelgrote steden. Central Squares (Deinze) van Robbrecht en Daem is een inspirerend voorbeeld dat past in het Masterplan Deinze. Een ander voorbeeld, dat ons bureau uitvoerde, is de dorpskernvernieuwing in Ingelmunster. In Ingelmunster leidde de opdracht voor een nieuw stationsplein via een nieuwe brug tot de creatie van een nieuw dorpscentrum. De Mandel, die het dorp doormidden snijdt, is nu een cruciaal structuurelement.

TS: Het ontwerpend onderzoek wat betekent dit?

B. Smets: Het ontwerpend onderzoek dient om de mogelijkheden van de site bloot te leggen én om de bestaande toestand te verbeteren. Het ontwerpend onderzoek exploreert wat kan gebeuren doorheen de tijd. In gedachte bouwen we voor de volgende generaties. Het ontwerpend onderzoek heeft geen object, geen programma maar is contextgebonden. Het ontwerpend onderzoek gaat op zoek naar de ‘roeping’ van de site. Waar evolueert de site naar toe? Hoe zetten we stappen hier naartoe. Een architect volgt een programma. Maar als landschapsarchitecten gaan wij op zoek naar de mogelijkheden van de site. Eerst onderzoeken we het landschap en daarna pas de mogelijke functies. Het ontwerpend onderzoek is essentieel om al tekenend via ontwerp te zien wat mogelijk is.

A. Degros: De projectdefinitie is door de complexiteit van stadsvernieuwing essentieel voor de realisatie van een kwalitatief hoogstaand project. Het ontwerpend onderzoek is een van de middelen om deze definitie te ontwikkelen. Ik vind het vooral prettig omdat het de mogelijkheid biedt om de problemen ruimtelijk te vertalen en de toekomstige mogelijkheden te presenteren.  Het is ook een zeer effectief instrument voor de communicatie tussen de verschillende belanghebbenden.

TS: Jullie werken ook in Brussel of in Wallonië, wat zijn daar de sterktes van het stadsvernieuwingsverhaal? 

A. Degros: In Brussel is het wijkcontract een krachtig instrument omdat het veelomvattend is: openbare ruimte, huisvesting en socio-economische programmering. Het heeft aanleiding gegeven tot uitstekende projecten zoals De Brasserie Belle Vue (Kanaalzone in Sint-Jans-Molenbeek). Maar het blijft veel te anekdotisch in de totale architecturale productie van Brussel.

B. Smets: Zoals in Antwerpen hebben Charleroi en Brussel ook elk een bouwmeester. Hier wordt een openbare wedstrijd gehanteerd, hetgeen helpt voor een cultuur van transparante competitie. Het blijft echter nog meer een uitzondering dan de regel.

TS: Kan je enkele goede praktijken meegeven?

B. Smets: Als bureau hebben we het Sint-Gillis Voorplein kunnen realiseren. Het Sint-Gillis Voorplein is een van de gezelligste pleinen van het Brussels Gewest. De ruimte is ingedeeld in vijf stroken die doorgetrokken zijn tot de kerk.

Nu voeren we in samenwerking met het studiebureaus Greisch de opdracht van de Lazaruslaan (Sint-Joost-ten-Node) tussen het Noordstation en de Kruidentuin uit. De Sint-Lazaruslaan wordt omgevormd tot de Sint-Lazaruspleinen. De gemeente Sint-Joost-ten-Node wenst dat de omwonenden en bezoekers zich de straten en pleinen van deze wijk opnieuw kunnen toe-eigenen, zowel op stedelijk, commercieel als cultureel vlak.

A. Degros: Ik moet bekennen dat ik op dit moment al drie jaar les geef in Oostenrijk en vooral gefascineerd ben door de stadsvernieuwing in Oostenrijk. Ik denk dat het essentieel is om na te denken over de mobiliteit. In Wenen of Graz zijn de mobiliteitscontracten  ( MoVe ) gekoppeld aan een stedelijke revitaliseringsoperatie, wat de kosten maar ook de ecologische voetafdruk van de projecten beïnvloedt. Hierbij wil ik nog aanvullen dat deze MoVe, veel invloed hebben op de openbare ruimte.

B. Smets: In België is Park Spoor Noord (Antwerpen) door Studio Associato Bernardo Secchi Paola Viganò het voorbeeld bij uitstek. Hier is een nieuw groot publiek project dat tot stand is gekomen in een heel moeilijke buurt; Om gentrificatie vermijden zijn allerlei bevolkingsgroepen betrokken bij de inrichting van het park Spoor Noord. Het is een erg geslaagd project. Park Spoor Noord is erin geslaagd om de toon te zetten in Vlaanderen en de lat hoger te zetten.

Een ander voorbeeldproject is het landschapspark Thurn en Taxis (Brussel). Met verschillende opdrachtgevers en met een publiek-private samenwerking zijn ze in Brussel geslaagd om in coproductie een nieuw publiek park te ontwerpen.

Hun opzet is geslaagd door voldoende tijd te nemen, vertrouwen te creëren en op een andere manier samen te werken. Het heeft 10 jaar geduurd, maar het is nog niet voorbij. Het park zal verder blijven groeien.

A. Degros: De openbare ruimte staat voor een ontmoetingsplaats, het is een grote hefboom in het geval van stadsvernieuwing  omdat het sociale cohesie kan brengen, maar het is ook een reserve van openlucht ruimte die de ecologie van een project kan transformeren. Ik waardeer met name de Koningin Groenpark , door  landschapsarchitect Erik Dhont,  in Schaarbeek (tuin van het oud Belgacomgebouw met toegangen aan de Paleizenstraat en de Groenstraat), die van een verwaarloosde ruimte is uitgegroeid tot een echte tuin in de wijk, met integratie van sportactiviteiten, sociale restaurant en prachtige natuur. De fijnheid van de beplanting wordt mogelijk gemaakt door een creatief model van onderhoudsmanagement. Een ander goed voorbeeld is kleinschaliger: de Orban kruising (Vorst) door Artgineering. Het was een oud kruispunt met een rotonde in het midden.  Dankzij de wijziging van de weginrichting en het planten van bomen is het een favoriete plek geworden voor kinderen op weg naar school in een zeer dichtgebouwd gebied.

Dit zijn twee voorbeelden uit wijkcontracten waarbij de ruimte in nauwe samenwerking met de bewoners vorm kreeg, maar waarbij de auteur van het project toch een structurele visie op de ruimte heeft ontwikkeld. Het Koningin Groenpark is het resultaat van talrijke dialogen met de bewoners, maar de ruimte is gestructureerd door grote muren die zeer architecturaal zijn. Het Orban plein is het resultaat van de test van de wijziging in situ op een schaal van 1/1 met de inwoners en scholen, maar de verandering van de verkeerscirculatie (het afsnijden van de kruising van het kruispunt) werd sterk ondersteund door de auteur van het project.

TS: Waarom vind je dit geslaagde projecten?

A. Degros: Dit zijn twee projecten die weliswaar ruimtelijke (of architecturale of netwerk) kwaliteiten hebben, maar die door de bewoners zijn overgenomen. Ze dragen bij aan de kwaliteit van de plaats en zelfs van een bredere omtrek, omdat beide ook oplossingen zijn voor de ontbrekende schakels in het actieve mobiliteit van deze wijken.

TS: Welke evolutie zie je bij het aanpakken van de publieke ruimte?

B. Smets: De laatste jaren neemt het belang van de publieke ruimte toe. Er is meer aandacht voor groene ruimtes. Het ecologisch aspect groeit. We leven in een onzekere wereld van klimaatverandering. Waar we binnen 20 jaar zullen staan is onbekend. Nochtans is dit een essentieel element. Er is vraag naar klimaatrobuuste planten. We kennen de gevolgen van het klimaat op de natuurlijke biotoop en inheemse bomen niet helemaal. Het is belangrijk dat we dit zo realistisch mogelijk proberen in te schatten.

A. Degros: Zoals overal in Europa zal het nodig zijn om op een meer integrale manier te werken aan stadsvernieuwing en publieke ruimte, maar ik denk dat de Oproep die bijvoorbeeld is gedaan met de fietsersbond (Luwe buurt) een perfect voorbeeld is van nieuwe aanpak om te ontwikkelen, het gaat over publiek ruimte , stad en mobiliteit.

TS: Wat zijn punten waar we in Vlaanderen nog zwak scoren?

B. Smets: In Vlaanderen ontbreken grotere landschappen. We moeten hier echt zoeken naar plekken waar we de natuur kunnen valoriseren en de publiek ruimte kunnen verbeteren. Het is ook nodig dat we plekken vrijwaren van verdere ontwikkeling. In Vlaanderen is er een enorm ruimtebeslag. Het is niet gemakkelijk om hier ruimte te vinden.

Voor het ontwerp voor de A11, de autosnelweg die de haven van Zeebrugge beter ontsluit, hebben we  een studie gemaakt van het polderlandschap. In plaats van de autosnelweg zo veel mogelijk te verstoppen, is de snelweg juist gebruikt om nieuw polderlandschap te maken. De snelweg is een nieuwe landschapslaag geworden, verwant met de oude dijken en kanalen. Onmiddellijk is er ook van de gelegenheid gebruik gemaakt om vijfduizendtal nieuwe bomen aan te planten.

A. Degros: Ik denk niet dat Vlaanderen zich hoeft te schamen voor zijn stadsverkenningsinstrumenten, ik denk alleen dat de bedragen die ermee gemoeid zijn veel te beperkt zijn.

Dit is niet alleen zo voor Vlaanderen. Maar de komende jaren zal het een dubbele uitdaging zijn om een stad inclusiever én ecologischer te maken. De rol van mobiliteit zal doorslaggevend zijn. Een inclusieve en ecologische stad moet ‘samen’ nadenken en concepten ontwikkelen van duurzame en financieel toegankelijke huisvesting én mobiliteit.

TS: Waar situeert Vlaanderen zich ten opzichte van het buitenland?

B. Smets: Vlaanderen heeft veel middelgrote steden met een erg onafhankelijk beleid. Er is gedecentraliseerd gezag met sterke autonome lokale besturen.

Het instrument van de Open Oproep helpt en begeleidt deze middelgrote steden om een goed kwalitatief ruimtelijk beleid te ontwikkelen.

Het buitenland kijkt hiernaar met verwondering en ontzag. Ze hebben respect dat we in Vlaanderen erin slagen om de kwaliteit van ruimtelijke opdrachten op die manier te verhogen.

In Vlaanderen worden op een transparantie wijze opdrachten toegekend aan architectenbureaus. Dat je kan intekenen op een openbare wedstrijd is heel positief. Buitenlandse bureaus zijn geïnteresseerd om bij ons projectvoorstellen in te dienen. We schrijven zo een Europees verhaal.