Transitie naar duurzame samenlevingen versnellen

  • 9 juli 2018

Sociologen die zich interesseren voor technologie, het is een minderheid. Een vreemde vaststelling want de technologische impact op de mens wordt steeds groter. Het Vlaams Instituut voor Technologisch Onderzoek (VITO) beseft al langer dat technologische vooruitgang alleen geen antwoord kan vinden voor de grote maatschappelijke uitdagingen. Daarom namen ze socioloog Yves De Weerdt in dienst om het technologisch onderzoek beter te kaderen en de sociale impact ervan in rekening te brengen. Wat hier volgt, is een verhaal over transitie en systeeminnovatie 

Je bent de enige socioloog die bij VITO werkt. Wat is jouw taak binnen de organisatie? Yves De Weerdt: “De bekommernis voor het ‘maatschappelijke’ was van meet af aan de uitdrukkelijke vraag van de hoofdaandeelhouder van VITO: de Vlaamse overheid. Het kwam even aan bod onder de noemer technology assessment’, maar verdween nadien grotendeels weer uit de aandacht. Met de groeiende belangstelling voor klimaatverandering en de opkomst van het transitiedenken kwam het maatschappelijke aspect rond 2008 terug op de voorgrond. Het management van VITO werd zich er weer sterker bewust van dat je technologie niet kan lostrekken van de maatschappelijke context. Elke technologische innovatie heeft een weerslag, zowel op het klimaat als op de mens. Als je een duurzame samenleving wil nastreven, dan hoor je bijvoorbeeld ook na te denken over de impact van technologie op structurele maatschappelijke ongelijkheid. Theoretisch klinkt dat allemaal goed, maar het is een verhaal dat tijd en moed vergt om iedereen mee te krijgen. Zeker in een context als het VITO, waar de doorsnee collega vroeger gewoon was om vanuit een klassiek technologisch oplossingsdenken te handelen en dat ook als opdracht meekreeg: vind een technologische oplossing voor een technologisch probleem. Het was mijn taak om een kader uit te werken waarmee het VITO technologische ontwikkelingen zou nastreven die duurzame oplossingen bieden voor maatschappelijke uitdagingen. Dat VITO altijd al een beleidsoriëntatie had, bood een uitgelezen kans voor een integrale benadering van duurzame ontwikkeling.” 

Hoe moeten we jouw rol specifiek zien? De Weerdt: “Ik word wel eens een boundary spanner of een grenzenrekker genoemd. Iemand die nieuwe interdisciplinaire samenwerkingen aftast, zoekt naar nieuwe, visiegedreven verbindingen tussen de verschillende kennisdomeinen. Ik ondersteun zo ook het maatschappelijk gericht technologisch denken van het VITO.” 

En lukt dat? De Weerdt: “De titel van het jaarverslag 2016 klonk in elk geval als muziek in mijn oren: ‘Transities naar een duurzame samenleving versnellen’. Dat die ambitie nu zo centraal staat, is uiteraard niet alleen mijn verdienste. Die ligt vooral bij de mensen die mij hebben aangeworven. Zij zetten de verandering binnen de organisatie in gang. Ik belichaam die evolutie gewoon en geef het samen met mijn collega’s van het VITO Transitie Platform concreet vorm. Ik zie wel steeds meer transitiegerichte projecten en activiteiten opborrelen binnen VITO, die los van het VITO Transitie Platform tot stand komen. Er lijkt dus een autonome dynamiek te groeien. Dat geeft mij dan weer nieuwe energie.” 

Waar wil je binnen enkele jaren staan? De Weerdt: “De verkenningsfase is achter de rug. Het kader dat we uitwerkten voor het transitiedenken binnen VITO, is rijp om het strategisch in te bedden. Daarbij willen we als organisatie de overstap maken van klassiek outputdenken naar impactdenken. Als strategisch onderzoekscentrum willen en moeten we daarbij een proactieve rol opnemen. We moeten met andere woorden zelf die verandering mee vormgeven. Geen kennis voor de kennis, maar ‘werkende inzichten’. In de praktijk komt dat neer op het nastreven van systeeminnovaties in plaats van het verkleinen van negatieve effecten. Niet de dingen wat beter uitvoeren, maar betere dingen doen. Maar dat lukt je niet van vandaag op morgen, want de klassieke systemen sputteren uiteraard tegen. Hoe je daarmee omgaat, lijkt een van de centrale vragen voor de transitiepraktijk van de komende jaren te worden.” 

Laat ons nu de link leggen naar de steden. Jullie zien de stad als labo en motor van de samenleving. Waarom? De Weerdt: “Daar zijn een aantal redenen voor. Vooreerst door een sterke handelingsgerichtheid van steden, zoals Benjamin Barber ook al aangaf in zijn boek ‘If mayors ruled the world’. Waarbij de stadsbewoners, al dan niet georganiseerd, als actor duidelijk aan belang winnen. Maar steden zijn ook de plekken waar duurzaamheidsuitdagingen – denk maar aan energie, groene ruimte, mobiliteit of armoede – zich opstapelen binnen een relatief beheersbaar schaalniveau, en waar bovendien een rijkdom aan kennis, actoren en middelen aanwezig is om tot oplossingen te komen. Op het schaalniveau van wijk of stad kan je bij uitstek op een integrale manier naar oplossingen zoeken. Een uitgelezen kader om te innoveren en daaruit te leren.” 

Hoe kan een stads- en gemeentebestuur systeeminnovatie ondersteunen? De Weerdt: “Door af te stappen van het klassieke, verkokerde denken. Wie groenbeheer uitwerkt, mag zich niet beperken tot louter het ecologische aspect, maar hoort ook na te denken over bv. de welzijnscomponenten. Voor VITO heeft groen niet alleen een luchtzuiverend, verkoelend en waterbufferend effect. Een bos of park brengt ook geestelijke rust, biedt recreatieve en economische mogelijkheden, ... Het totale plaatje van de ecosysteemdiensten moet je bij stedelijk groen in rekening brengen. Nog een voorbeeld. Het energiebeleid moeten we ook zien als een hefboom voor sociale cohesie. Het zou ook deel moeten uitmaken van het sociale beleid van een stad. Veel subsidies ondersteunen ingrepen die je enkel kan doen als eigenaar van een woning. Dat versterkt ongelijkheid. Maar het afstappen van oude gewoonten is niet altijd evident. De klassieke organisatie van een stadsbestuur in beleidsdomeinen werkt dat nog te vaak tegen. Het personeel krijgt niet altijd de ruimte om een integrale, beleidsoverschrijdende visie op de stad uit te denken. Het vraagt natuurlijk een zekere schaal. Daar ligt in mijn ogen nog een onbenut potentieel voor bovenlokale samenwerking.” 

Alles draait dus rond capacity building op lokaal niveau? De Weerdt: “Ja. Met de juiste mensen op de juiste plaats kunnen steden afraken van het outputdenken en vooral met de impact van hun projecten bezig zijn. Ik hoorde iemand van de Wereldbank ooit treffend zeggen: ‘de focus ligt te vaak op het zover mogelijk openzetten van de inkomstenkraan, terwijl het dopje van de afvoer sluiten een veel sterker effect kan hebben’. Dat betekent integraal nadenken over de uitdagingen en de illusie laten varen dat je alles alleen kan oplossen. Dat brengt ons bij een andere belangrijke component: co-creatie. Je mag dat ruim bekijken. Niet enkel binnen de stadsdiensten maar ook door bedrijven, verenigingen of burgers te betrekken bij het beleid. Al was het maar omdat zij zich steeds minder laten tegenhouden om activiteiten te ontwikkelen op domeinen waaraan vroeger een ‘bestuursmonopolie’ kleefde. Maar ook omdat het tot modellen leidt die veel beter in staat lijken om meerwaarde te creëren voor de stad en haar inwoners.”  

Het woord ‘transitie’ was even hip, maar lijkt nu wat van zijn glans verloren. Vervelend? De Weerdt: “Het was even een modewoord zoals bv. duurzame ontwikkeling. Dat creëerde ruimte om aandachtspunten ruimer te verankeren. Het formuleerde een bepaalde behoefte, die er nog altijd is. Voor mij is de glans dus niet weg. Wat rust rond de term kan zelfs geen kwaad zodat het niet louter een containerbegrip wordt. Ondertussen groeide het bewustzijn wel dat we het in de toekomst over een andere boeg moeten gooien, want wat we nu doen volstaat niet om de globale uitdagingen het hoofd te bieden. Welke naam de aanpak uiteindelijk krijgt, is van ondergeschikt belang.” 

Wat betekent transitie nog? De Weerdt: “Het heeft twee belangrijke functies. Het is vooreerst een analysekader. Het helpt nadenken over langetermijnoplossingen voor complexe, maatschappelijke uitdagingen. Maar het bevat ook een ‘actiemodel’. Het vergt een co-creatieve aanpak en richt zich op systeemveranderingen, via transitie-experimenten gekoppeld aan een gericht leerproces. We spreken daarom van transitiedenken bij het analysekader en transitiemanagement als we het over actiemodellen hebben. De term transitie is op zich dus maar belangrijk voor zover hij leidt tot reële oplossingen en doorwerkt in de handelingen van de mensen.”

Is de term transitie voor steden niet vervangen door het concept ‘smart city’? De Weerdt: “Neen, dat klopt niet. Het concept ‘smart citybevat geen handelingsmodel voor duurzame ontwikkeling zoals dat bij transitie wel het geval is.” 

Wat betekent een smart city dan voor jou? De Weerdt: “Het is in elk geval een concept dat niet vanuit de steden zelf ontstond, ook niet vanuit het oogpunt van duurzame ontwikkeling, maar veeleer gelanceerd werd vanuit de industriële en technologische onderzoekshoek. Het had ook veel meer de vorm van een marktstrategie  dan van een visie op een duurzame en leefbare stad, zoals we die bijvoorbeeld in Vlaanderen ontwikkelden voor de Stadsmonitor. Concrete behoeftes en noden van steden en stadsbewoners vormden niet het centrale vertrekpunt, wel de vertaling van bestaande technologieën naar een sterk groeiende stedelijke markt. Ik vind dat ook terug bij ‘big data’. Data zijn op zich erg waardevol, en bieden ongekende kansen voor de ontwikkeling van steden. Alleen moet het technologische verhaal ook een sociaal inclusieve en versterkende invulling krijgen. Bij wijkrenovaties bieden data ons bijvoorbeeld mogelijkheden om inwoners te betrekken bij collectieve projecten waaruit ze baten kunnen halen dankzij de schaalvoordelen. Maar we merken dat dit geen evidente opdracht is.” 

Data zijn dus minder neutraal dan het lijkt? De Weerdt: “Het is niet omdat we al heel veel data hebben, dat we daarom ook over de juiste of maatschappelijk meest relevante data beschikken. Kijk maar eens na hoeveel apps er op basis van big data ontwikkeld worden voor mensen die in armoede leven en voor hen een wezenlijk verschil maken. Welk antwoord geven we aan de mensen die de digitale trein gemist hebben en zich geconfronteerd zien met een verderschrijdende vervanging van maatschappelijke diensten door apps. Ook al produceren we dus enorm veel data, ze fungeren toch als een gekleurde bril op de realiteit. Ik heb niet de indruk dat het de steden en hun inwoners zijn die op dit moment de kleur bepalen. Bovendien is het de vraag of data voor alle stedelijke uitdagingen de beste basis vormen.”

Kortom, je bent een lauwe minnaar van smart cities. De Weerdt: “Geen enkele technologische component mag apart staan van de maatschappij. Pieter Ballon illustreert in zijn boek mooi hoe smart city-technologie zowel tot een utopie als een dystopie kan leiden. Daar waar smart cities een basis kunnen vormen voor de uitbouw van duurzame, leefbare steden, kunnen ze in de toekomst zeker een rol van betekenis spelen. Alleen denk ik dat we meer aandacht moeten hebben voor de randvoorwaarden en daarrond een strategie moeten ontwikkelen, willen we niet het risico lopen om af te glijden naar de dystopie van smart cities.” 

Van jou hebben we de term disruptie geleerd. Als we het goed begrijpen is dat de moeilijke fase voor een nieuwe maatschappelijke ontwikkeling waarbij soms asociale effecten opduiken. Kan je dat duiden. De Weerdt: Disruptie is een brede term met verschillende betekenissen. Ik kijk vooral naar twee aspecten ervan: de aandacht voor de ‘afbraak’ van dominante praktijken en de maatschappelijke disruptie via technologie. De eerste, die Derk Loorbach ooit het ‘ministerie van afbraak’ noemde, heeft te maken met het fundamentele karakter van systeeminnovatie. Je moet altijd rekening houden met het klassieke systeem dat moet verdwijnen, want dat gebeurt niet vanzelf. Wanneer de transitie vooruitgang boekt en de traditionele aanpak legitimiteit verliest, moet je door een turbulente periode, die niet enkel winnaars maar ook verliezers kent. Niettemin is die fase onontbeerlijk om tot een noodzakelijke omslag te komen in denken, doen en organiseren.”  

Waar zien we momenteel een dergelijke disruptie? De Weerdt: “Als recent en actueel voorbeeld verwijs ik naar de Oosterweelverbinding. Na een uiterst moeizaam proces erkende de klassieke machtsgroep uiteindelijk de ‘chaos’ en creëerde met de installatie van een intendant een nieuwsoortige constellatie als uitweg uit de patstelling. Maar je kan niet blijven werken met intendanten, want die mondige burgers verdwijnen niet meer. Ik ben daarom heel benieuwd hoe dit model gaat evolueren en welke plek het gaat krijgen in de toekomstige, stedelijke governancemodellen.” 

Je had het ook over maatschappelijke disruptie door technologie. Wat houdt die in? De Weerdt: “3D-printing is een voorbeeld van technologie die soms tot maatschappelijke disruptie leidt. Met de nodige grondstoffen en een 3D-printer kunnen ontwikkelingslanden hun infrastructuur verbeteren zonder industrieel commercieel model. Het koppelt ontwerp en productie geografisch en procesmatig helemaal los van elkaar. Daarom is het ook zo relevant voor steden en biedt het een platform voor zuiver maatschappelijk gedreven ondernemen dat loskomt van alle traditionele businessmodellen. Heel vervelend voor de industrie uiteraard. Maar niet alleen bedrijven ondervinden disruptieve effecten, ook de maatschappij. Bij Über ben ik minder geboeid door de marktverstorende werking, dan wel door de manier waarop ze ons systeem van sociale bescherming van werknemers omzeilt. Net zoals bij 3D-printen. Met een 3D-printer kan je naast waterzuiveringsstations ook wapens maken. Terwijl de klassieke wapenindustrie institutioneel aan banden ligt, geldt dat niet voor 3D-geprinte geweren. Op internet staan open source plannen waarmee iedereen een perfect werkend wapen kan maken. Technologisch niet heel bijzonder, maar wel maatschappelijk disruptief. Ons systeem om wapengebruik in goede banen te leiden, is niet bestand tegen die technologische ontwikkeling. Zo leert technologie ons via disruptie veel over hoe we onze steden en samenlevingen duurzaam toekomstbestendig moeten maken.” 

Je hebt het altijd over de maatschappelijke vijfhoek (samenwerking overheid, bedrijven, onderzoek en wetenschappelijke instellingen, middenveld & burgers, …) en niet over de meer klassieke ‘triple helix’? De Weerdt: “De triple helix ging uit van een vrij harmonieuze, gelijklopende evolutie van maatschappelijke actoren, die onderling verbonden bleven. Het geschetste X-model toont dat die processen veel chaotischer verlopen met complexe actie-reactie dynamieken, aangestuurd vanuit dieperliggende belangen. Daarom zet VITO de maatschappelijke vijfhoek centraal in de toekomst, maar dan eerder als een maatschappelijk ‘speelveld’ dan als een model. We proberen vanuit onze kennis en met een blik op het hele speelveld een integrale kijk te ontwikkelen en actief mee te werken aan nieuwe maatschappelijke oplossingen, waarbij alle actoren een rol te vervullen hebben.” 

Hoe komen we van drie strengen in de helix naar vijf hoekpunten? Wat is er dan veranderd? De Weerdt: “De vijfhoek koppelt het financieringsvraagstuk steeds meer los van de industrie. De uitdaging om duurzaamheidstransitie te financieren, leidt tot een verschuiving waarbij niet enkel de klassieke grote financiële spelers de dans leiden. Je ziet ook nieuwe investeerders, zoals pensioenfondsen meer op de voorgrond komen, onder meer door de langere termijn die duurzaamheidsprojecten vaak kenmerkt. Globaal lagere economische rendementen maken dat coöperatieve vennootschappen nu ook in het blikveld staan van klassieke industriële spelers. En nieuwe ontwikkelingen zoals crowdfunding, zorgen ervoor dat burgerbewegingen hier en daar een stevig economisch gewicht ontwikkelen. Ook bij de overheid merk ik een verschuiving in hoe ze naar het hoekpunt van de ‘civil society’ kijken. Vroeger richtten ze zich vooral tot het maatschappelijke middenveld. De adviesraden kan je zien als een institutionele vertaling van die denkwijze. Pas daarna wendde de overheid zich – als dat al gebeurde – tot de burger. Nu draaien ze die rollen al af en toe om, met experimenten als burgerbegrotingen als voorbeeld. Mogelijks evolueren we daardoor in de richting van een zeshoekig samenwerkingsmodel in de steden.” 

Wat zijn de cruciale bouwstenen om als burger of organisatie een radicaal vernieuwend project op te starten dat maatschappelijke uitdagingen aanpakt? De Weerdt: “Op de huidige regels zit er nog veel rek. Eigen je de stad maar toe. Je hebt als burger vaak meer rechten dan je denkt om te vernieuwen. Enkel door dingen uit te proberen, ga je ontdekken wat kan en niet kan. Wat zeker helpt, is rechtstreeks en op een oplossingsgerichte manier in dialoog treden met het stadspersoneel. Geef hen de kans om weer ‘civil servant’ te zijn in de letterlijke zin van het woord. Dat werkt beter dan klagen, want daar wordt de klager noch de ambtenaar gelukkig van. Vraag de lokale functionarissen om partner te worden bij de zoektocht naar een oplossing. Je slaagkansen stijgen daardoor geweldig. Zeker omdat je op die manier ook erkent dat je eigen perspectief niet hetzelfde is als dat van de stad. Dat mag je als burger nooit uit het oog verliezen. Wat logisch lijkt voor een individu, is dat niet noodzakelijk voor een wijk of stad. Uit de Leefstraten in Gent leerde ik in elk geval dat een beter wederzijds begrip van die perspectieven – door het persoonlijke contact tussen burgers en stadsfunctionarissen – al een stevige basis is op weg naar duurzaam stadsmaken.”

Dit artikel verscheen in de eerste ‘digitale’ BinnenBand, het blad van het Agentschap Binnenlands Bestuur, volledig gewijd aan het Vlaams stedenbeleid. Het nieuwe nummer brengt de stad als laboratorium en inspiratiebron voor lokale besturen. Gesprekken met gangmakers plaatsen de stad en het stedenbeleid in de kijker.

Vier deskundigen schetsen een beeld van belangrijke realisaties en toekomstperspectieven van de stadsvernieuwing, het smart city-verhaal, de co-creatie en de innovatie in het leven en denken over de stad en stedelijkheid.

Inspirerende voorbeelden van stedelijke projecten op het sociaal vlak, op het ruimtelijke-ecologische domein, in de maakeconomie, op slimme mobiliteit en tenslotte bij de proactieve overheid (vooruitziend, sterk, bestuurskrachtig) geven aan dat de stad in beweging is.

Lees de BinnenBand