Sociale innovatie en sociaal ondernemerschap

  • 27 augustus 2018

Kaat Peeters leidt de Sociale InnovatieFabriek (SIF). Als die organisatie niet meteen een belletje doet rinkelen, dan misschien wel de succesvolle oproep ‘Radicale Vernieuwers’. De Sociale InnovatieFabriek ondersteunt initiatieven met een sociaal innovatief doel. Wat we ons daarbij moeten voorstellen, licht Kaat ons toe aan de hand van verschillende, concrete voorbeelden.

Kaat, je bent directeur van de Sociale InnovatieFabriek. Kan je kort uitleggen wat sociale innovatie is en wat jullie werking juist inhoudt? Kaat Peeters: “Sociale innovatie omvat vernieuwende producten, samenwerkingsvormen, concepten, processen en modellen die oplossingen bieden voor belangrijke maatschappelijke uitdagingen. In onze missie staat dat we sociale innovatie en sociaal ondernemerschap promoten en ondersteunen. Door die tweeledigheid krijgen we heel diverse mensen over de vloer. Je hebt enerzijds de sociaal ondernemers en anderzijds de sociaal innovatoren. Wie bij ons komt aankloppen, hoeft niet per se een rendabel concept voor te leggen. Het mogen ook concepten zijn die bv. leiden tot gedragsverandering.”

Dus wie een vernieuwend product voorlegt dat onder sociaal ondernemerschap valt, hoeft zich geen zorgen te maken over de rendabiliteit van zijn idee? Peeters: “Nee, dat nu ook weer niet. We stellen hen effectief de vraag wat ze op langere termijn willen doen met hun initiatief. Een concept is altijd kwetsbaar als het van slechts één inkomstenbron, bv. een subsidie, afhankelijk is. We streven vooral hybride bedrijfsmodellen na. Daarmee bedoel ik dat we sociaal ondernemers aanzetten tot het rendabel maken van hun idee, ook al hoeft dat niet het basisuitgangspunt te zijn. Met hun initiatief moeten ze vooral een oplossing bieden voor een belangrijk maatschappelijke uitdaging zoals bv. het klimaat, vergrijzing of vereenzaming.”

Wat moeten we ons bij sociaal innovatoren voorstellen? Peeters: “Die situeren zich in tal van sectoren, waaronder de welzijnssector. Ik geef je een voorbeeld. BlueAssist helpt mensen met een verstandelijke beperking. De bedenkers vroegen zich af waarom we altijd speciaal vervoer moeten voorzien voor hen, ondanks het ruime aanbod van het openbaar vervoer? Hun oplossing is simpel. Ze geven mensen met een verstandelijke beperking een kaartje of een smartphone mee waarop staat wat ze willen of moeten doen en een telefoonnummer. Het uitgangspunt is dat mensen graag andere mensen helpen, maar dat veel hulpbehoevenden lijden aan vraagverlegenheid. Studenten onderzochten de hulpvaardigheid en kwamen tot de conclusie dat een overgrote meerderheid van de bevolking mensen met een verstandelijke beperking effectief helpt, meer zelfs. In veel gevallen deden ze veel meer dan wat strikt van hen gevraagd werd. BlueAssist werkt ondertussen nauw samen met het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH). Maar ook andere diensten zoals het Expertisecentrum Dementie Vlaanderen en Fedasil deden al beroep hun expertise.”

Jullie zijn actief sinds juli 2013. Hoeveel innovatoren kwamen al aankloppen in die tijd? En hoe ga je dan te werk? Peeters: “Ongeveer 550, waarvan 80% nog altijd actief is. Als ze bij ons toekomen, zitten we eerst een halve dag samen om te luisteren naar hun verhaal om nadien samen met hen een traject op maat uit te werken. We vragen hen wat ze willen doen, hoe hun model eruit ziet, wie ze al aan boord hebben, welke ondernemingsvorm ze willen oprichten en waar ze al aanklopten met hun idee. Onze rol als Sociale InnovatieFabriek is verbindingen te leggen tussen vaardigheden en expertises. Lokale besturen zijn daar ook goed in, want zij hebben op kleinere schaal toegang tot alle geledingen van de maatschappij en beschikken eveneens over een groot netwerk. Dat maakt hen zo interessant.”

De oproep Radicale Vernieuwers richtte zich tot organisaties en personen die radicaal nieuwe producten, diensten en methodes ontwikkelen voor een betere wereld en een beter klimaat. Welke trends of patronen komen veelvuldig voor in de voorstellen? Peeters: “Het draait vooral om bottom-up innovatie. De radicale vernieuwers kan je ook moeilijk inpassen in de traditionele verkokering, want ze kijken net over de tussenschotten van de klassieke beleidsvelden heen. Veel initiatieven hadden linken met klimaat, zorg, onderwijs, vluchtelingen, cohousing, circulaire economie en deeleconomie.”

Kan je enkele concrete voorbeelden geven van sociaal innovatoren? Peeters: “Eentje die we niet snel zullen vergeten, werkt rond rouw en verlies. IJs voor iedereen bezorgt post aan de doden en omgekeerd. Wie een bericht stuurt naar een overledene, krijgt een kunstwerkje terug onder de vorm van een postzegeltekening die de sfeer van de brief in beeld brengt. Pakkend. Rising You[th] geeft klimopleidingen aan jongeren met een migratieachtergrond of vluchtelingen zodat ze aan de slag kunnen gaan als ramenwasser, industrieel schilder van bv. hoogspanningsmasten, windmolenbouwer of gsm-masteninstallateur. Passwerk begeleidt mensen met een autismespectrumprofiel naar gepast werk zoals bv. software testing. Ten slotte vermeld ik nog de coöperatie De Landgenoten. Zij beheren landbouwgronden die geschikt zijn voor bio-landbouw en verhuren die tegen een aanvaardbare prijs aan bioboeren. Zoals je merkt allemaal heel diverse initiatieven.”

Inderdaad. Welke verschillen merk je ten opzichte van de traditionele dienstverlening? Peeters: “De mindset is totaal anders. De klassieke dienstverlening kleurde braaf in zijn vakje, stelde zich redelijk stug op en wantrouwde de concurrentie. Het maatschappelijk middenveld en bedrijfswereld verstonden elkaars taal niet. Ik stel het opzettelijk heel extreem, weinig genuanceerd voor. De sociaal innovatoren denken minder vanuit systemen, maar meer vanuit de noden die ze om zich heen zien. Ze zijn bereid om samen te werken. Angst voor het onbekende kennen ze niet. Die mentaliteitswijziging dringt ook geleidelijk aan door in de klassieke dienstensectoren.”

De Sociale InnovatieFabriek ziet de stad en de gemeente als een labo voor nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen. Hoe kan een stads- en gemeentebestuur dat ondersteunen. Wat zijn de eventuele do’s? Peeters: “Lokale besturen beschikken over veel informatie en contacten. Zij kunnen als geen ander verbindingen leggen in hun stad of gemeente. Maar ze moeten dan wel geloven in de rijkdom van hun burgers. Soms beseffen ze onvoldoende hoeveel pientere mensen met diverse achtergronden er leven op hun grondgebied. Bovendien zijn die vaak bereid om mee te helpen aan een gemeenschappelijk (goed) doel.”

En de don’ts? Peeters: “Gemeenten hebben soms de neiging om alles al op voorhand uit te werken of te bedenken nog voor ze een projectoproep lanceren. Zo beperk je het oplossend vermogen. Misschien komt dat omdat lokale besturen zich dikwijls onmisbaar wanen. Wanneer blijkt dat er al initiatieven bestaan op hun grondgebied zonder dat ze daarvan afwisten, mogen ze daar niet negatief op reageren. Idealiter zijn steden en gemeenten constructief passief. Ze moeten in hoofdzaak faciliteren. Ik verwijs daarbij naar het spontaan gegroeide initiatief om vereenzaming te bekampen in Brugge. De stad heeft zich daar vrijwillig achter geschaard. Nog een voorbeeld. In Bornem rijdt De Buurtkar rond langs een vast parcours. Het is een mobiele buurtwinkel, waar mensen sinds kort ook terecht kunnen met vragen over zorg en welzijn of voor gemeentelijke dienstverlening

De vakliteratuur heeft de mond vol over de quadruple en de quintuple helix die staat voor de samenwerking tussen overheid, bedrijven, wetenschappelijke instellingen, het maatschappelijk middenveld en de burgers. Hoe sta je daar tegenover? Peeters: “Wij gaan uit van de quintuple helix en noemen dat wel eens het ‘pentagram van verbondenheid’. De (lokale) overheden moeten goed beseffen dat niet alle slimme mensen bij haar werken, maar ook elders aan de slag kunnen zijn. Het is vooral belangrijk dat ze maatschappelijke oplossingen niet vertragen. Ondertussen bestaan er mooie praktijkvoorbeelden, zoals bv. het eerder al aangehaalde BlueAssist. Een initiatief van en voor burgers, ondersteund door een vzw, in samenwerking met De Lijn, wetenschappelijk onderzocht en mede ondersteund door het VAPH.”

Hoe zou jij stadsvernieuwing (investeringen in de publieke ruimte) en Smart Cities (investeringen in technologie, data,…) met elkaar verbinden? Peeters: “Die moeten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Technologie is vooral een hulpmiddel, geen doel op zich. Dat mogen we niet uit het oog verliezen. Maar stadsvernieuwing en technologische innovatie hoeven niet altijd te dialogeren met elkaar. Ze kunnen ook samenwerken als een koor en multilaterale verbanden leggen. Ook daarvan bestaan al mooie voorbeelden. Denk maar aan Peerby. De initiatiefnemers ontwikkelden een digitaal platform om spullen te lenen van je buren. Deeleconomie ten top. Goed voor het milieu en het ondersteunt het sociale weefsel in de buurt op basis van IT-technologie.”

Wat zijn cruciale bouwstenen om als burger, organisatie of lokale overheid een radicaal vernieuwend project op te starten om maatschappelijke uitdagingen aan te pakken? Peeters: “Start altijd met de waarom-vraag. Elke beslissing die je neemt, moet je daaraan toetsen. Kijk vooral ook door de verkokeringsschotten heen en durf grijze zones te betreden. Als overheid moet je geloven in een dynamisch aanpasbaar juridisch kader en innovatieve projecten niet van meet af aan versmachten met regels.”

Lees de BinnenBand