Transitie naar duurzame mobiliteit in steden

Ontwerpbureau BUUR en ShiftN ontwikkelden in opdracht van de Vlaamse Milieumaatschappij (i.s.m. Thuis in de Stad) een analysekader voor duurzame stedelijke mobiliteit. Het analysekader is bedoeld als instrument dat steden toestaat om hun mobiliteitssysteem grondig onder de loep te nemen en te onderzoeken op potentiëlen voor een transitie naar duurzame mobiliteit. Het is een instrument dat een kader biedt om het complexe systeem van stedelijke mobiliteit te lezen, te beschrijven en beter te begrijpen. Daarbij komen kansen en bedreigingen aan het licht die de transitie naar meer duurzaamheid in de mobiliteit mogelijk maken en ondersteunen, of bemoeilijken of verhinderen. Het analysekader biedt geen pasklare antwoorden over hoe de transitie moet worden gerealiseerd, maar identificeert aanknopingspunten, richtingen en waarschuwingen die een stad helpen bij het ontwikkelen van die antwoorden.

Het analysekader is ontwikkeld op basis van een uitgebreide literatuurstudie en vervolgens getest bij vijf Europese koplopersteden. Uit deze tests is gebleken waar de elementen in het kader nog verder bijgewerkt of aangevuld moesten worden om de transitie die in deze steden plaatsgevonden heeft, beter te kunnen vatten. Vervolgens is het kader toegepast op een analyse van de Vlaamse centrumstad Leuven, waarbij vooral de gebruiksvriendelijkheid en geboden meerwaarde van het kader werden onderzocht.

Bouwstenen voor het analysekader

Het analysekader kent drie bouwstenen:

  • Het stedelijk mobiliteitssysteem
  • Het duurzaamheidsniveau
  • Het transitiepotentieel

Het stedelijk mobiliteitssysteem, de eerste bouwsteen is een systeemafbakening van stedelijke mobiliteit, als complexe trialoog tussen de ruimte (lokalisatie van programma), menselijke activiteiten en vervoerssystemen, die een verplaatsingsbehoefte genereert die via een vervoerskeuze wordt ingevuld. Het analysekader kijkt hierbij zowel naar interne systeemelementen (bijvoorbeeld de ruimtelijke structuur van de stedelijke regio, de aanwezige verkeersinfrastructuur, de menselijke activiteiten of de gebruikte vervoersmodi) als naar externe omgevingsfactoren (bijvoorbeeld grondprijzen, beschikbare technologie of demografische ontwikkeling) en betrokken actoren (bijvoorbeeld reizigers, overheid, vervoersoperatoren of omwonenden).

Analysekader Transitie naar Duurzame Mobiliteit

Het duurzaamheidsniveau. Dit tweede bouwsteen onderzoekt het duurzame karakter van de stedelijke mobiliteit en duidt de richting aan om die duurzaamheid te vergroten. Duurzaamheid wordt in deze context gedefinieerd als een maximale langdurige kwaliteit op het vlak van ruimte, techniek en processen, met een minimale negatieve en waar mogelijk positieve impact op het vlak van milieu, maatschappij en economie. Dit levert zes velden op, waarbinnen 24 thema’s zijn gedefinieerd die de duurzaamheid van stedelijke mobiliteitssystemen samenvatten: economische impact (bijvoorbeeld ontsluiting van economische infrastructuur, investeringslasten of regionale economische veerkracht), milieu-impact (bijvoorbeeld landconsumptie, impact op luchtkwaliteit of verbruik van grondstoffen), sociale impact (bijvoorbeeld veiligheid, welzijn of sociale rechtvaardigheid), ruimtelijke kwaliteit (bijvoorbeeld beeldkwaliteit, leesbaarheid of stedenbouwkundige integratie), proceskwaliteit (bijvoorbeeld kwaliteitsbewaking, participatie of exploitatie en beheer) en technische kwaliteit (bijvoorbeeld comfort en betrouwbaarheid, levensduur of energieverbruik).

Het transitiepotentieel. De derde bouwsteen van het analysekader onderzoekt de transitie die nodig is om het systeem duurzaam te maken en welk potentieel er daartoe aanwezig is. Een transitie is daarbij een omvattende, structurele verandering in een socio-technisch systeem en wordt in het analysekader benaderd langs vier hoofdassen die 24 onderzoeksaspecten naar voor schuiven: aanwezige landschapselementen (relevante trends op regionale en internationale schaal), capaciteit voor visie-ontwikkeling (bijvoorbeeld consistentie in beleid, aanwezigheid van opinieleiders of middelen om draagvlak voor innovaties te creëren), capaciteit voor het ondersteunen van een leerinfrastructuur (bijvoorbeeld toegang tot kennisbronnen, niveau van publieks-participatie of aanwezigheid van transsectoriële actorennetwerken) en capaciteit voor het ondersteunen van niches (bijvoorbeeld aanwezigheid van innovatieve overheidsinitiatieven, relaties tussen niches en het mobiliteitsregime of middelen voor het opschalen van niches).

5 Europese koplopersteden

Dit analysekader wordt vervolgens toegepast om een retrospectieve analyse uit te voeren van de duurzame transitie van het stedelijk mobiliteitssysteem in vijf Europese steden die qua mobiliteitstransitie tot de koplopers van het continent kunnen worden gerekend: Freiburg, Groningen, Zürich, Bolzano en La Rochelle. Deze analyse laat toe de werking van het analysekader te toetsen, maar ook een reeks inspirerende strategieën aan bod te laten komen, samen met succesfactoren en drempels bij de toepassing ervan.

Proactieve analyse van Leuven

Het rapport bevat tenslotte een proactieve analyse van de Vlaamse centrumstad Leuven. Het analysekader wordt daarbij gebruikt om in Leuven het potentieel te onderzoeken voor een transitie die het stedelijk mobiliteitssysteem duurzamer maakt, gekoppeld aan een beschrijving van de huidige toestand van dat systeem en een identificatie van de belangrijke probleempunten. Op basis van een uitgebreide bespreking van het huidige mobiliteitssysteem in Leuven, de duurzaamheid van de stedelijke mobiliteit en de aanwezige capaciteiten voor transitie, worden negen kansen en negen bedreigingen geïdentificeerd voor het transitiepotentieel inzake duurzame mobiliteit in Leuven.

De kansen zijn:

  • de aanwezige sense of urgency door de ernst van veel problemen;
  • de aanwezige dynamiek en demografische en economische groei die kunnen ingezet worden als hefboom;
  • het recent opgestarte project Leuven Klimaatneutraal 2030 als gemeenschappelijk sensibilisatie- en mobilisatieproject;
  • de aanwezigheid van de KU Leuven als bepalende factor in zowel de demografische als de economische dynamiek;
  • de bestuurlijke slagkracht en politieke stabiliteit van het stadsbestuur in Leuven;
  • de aanwezigheid van een behoorlijke basisinfrastructuur voor weg en spoor;
  • de nu al sterke rol van de fiets die op vrij korte termijn kan leiden tot een belangrijke modal shift;
  • de nood aan een herziening van talrijke beleidskaders en dus de mogelijkheid om deze beter op elkaar af te stemmen en duurzamer te formuleren;
  • en ten slotte het bestaan van het onderzoeksproject Regionet Leuven als realistische inspiratiebron en oefening in interbestuurlijke samenwerking in de stedelijke regio.

Als bedreigingen identificeert het rapport:

  • de dreigende lock-in van het huidige onduurzame vervoerssysteem als niet snel een ander beleid gekozen wordt voor de ruimtelijke ontwikkeling van de regio;
  • de moeilijke positie van het openbaar vervoer met laag draagvlak en slechte organisatie;
  • de afwezigheid van een slagkrachtig bovenlokaal bestuursniveau;
  • de zwakke samenwerking tussen betrokken actoren;
  • de afwezigheid van een sterke leerinfrastructuur buiten de universiteit;
  • het feit dat de ruimtelijke ordening die aan de basis ligt van veel onduurzame verplaatsingspatronen heel moeilijk en enkel op lange termijn bij te sturen valt;
  • het gebrek aan middelen op lokaal en bovenlokaal niveau voor bijkomende investeringen;
  • het gebrek aan maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak binnen de stad;
  • het gebrek aan ervaring met transitieprocessen door het ontbreken van change agents die de vereiste omslag naar een duurzame mobiliteit met succes kunnen uitdragen.