Nieuwe call voor Urban Innovative Actions: do’s en don’ts

  • 10 januari 2017

De tweede oproep voor de Urban Innovative Actions loopt momenteel! Tot 14 april 2017 kunnen steden  innovatieve stedelijke projecten indienen in drie categorieën:  circulaire economie, stedelijke mobiliteit en integratie van migranten en vluchtelingen.  De stad Antwerpen wist dit jaar een subsidie te verkrijgen. In dit artikel geven de projectmedewerkers tips voor een goede subsidieaanvraag.

Cohousing met vluchtelingen

De concurrentie voor middelen uit de UIA-korf is zwaar, maar ook niet onmogelijk. Dat bewees de stad Antwerpen eerder dit jaar met haar CURANT-project. In de categorie” “Migranten en vluchtelingen” was de stad Antwerpen één van de vier laureaten met haar project CURANT. Dat staat voor Cohousing and case management for Unaccompanied young adult Refugees in ANTwerp. Het is een vernieuwend cohousingproject waarbij jonge erkende vluchtelingen en jongeren van hier gedurende minstens één jaar samenwonen. Dat moet de integratie bevorderen van de jonge vluchtelingen die zonder ouders in België toekomen.

Wij legden ons oor te luisteren bij het trio dat het Antwerpse projectvoorstel coördineerde: Steven Sterkx en Dries De Herdt van Eurodesk Antwerpen en Jolien De Crom, intercultureel bemiddelaar bij het OCMW. Hoe pakten zij het concreet aan en welke aandachtspunten geven zij mee aan steden die zich willen mengen in de UIA-race?

Innovatie, innovatie, innovatie. Maar wat is dat precies, innovatie?

“Binnen de UIA maakt men een onderscheid tussen een revolutionaire en een evolutionaire innovatie. Revolutionaire innovatie betekent dat het gaat om een volledig nieuw concept dat nergens anders bestaat. Evolutionaire innovatie gaat eerder om het samenvoegen van onderdelen die op zich al elders bestaan maar die door hun combinatie wel vernieuwend zijn. In beide situaties moet je door benchmarking  (vergelijking met andere steden) bewijzen dat het projectvoorstel zoals het wordt ingediend nergens anders bestaat. CURANT is vooral vernieuwend door zijn combinatie: het idee om buddies rond cohousing te vinden bleek ook al te bestaan in Amsterdam, maar Antwerpen voegt daar ook nog eens de specifieke doelgroep toe van jongvolwassenen, een groep die altijd wordt vergeten. Maar dus niet in Antwerpen.”

Coproductie in een sterk partnerschap

“De samenstelling van ons consortium is een van de sterke punten van ons project. Elke partner heeft een duidelijke taak, het project vormt een geïntegreerd geheel.”

“Van de partners verwachten we ook een echt engagement, de samenwerking is niet iets vrijblijvends. Het project moet het resultaat zijn van een echte co-creatie met je partners. Dat we de Universiteit Antwerpen mee aan boord hebben kunnen trekken, is zeker ook belangrijk geweest. Zij hebben een sterke methode ontwikkeld om aan impactmeting te doen en laat zo’n impact assessment nu net heel belangrijk zijn voor Europa. Het behalen van meetbare resultaten is ook een van de criteria van de UIA om geselecteerd te worden.”

Als je de agenda kan bepalen, kan je ook gerichter aansluiting zoeken bij het bestaand beleid, op voorwaarde natuurlijk dat je het op een innovatieve manier invult… En dat is het geval bij de UIA: je weet goed wat je krijgt, je zit zelf in de driver’s seat. Als stad ben je de hoofdpartner in een consortium en kan je dus zelf sturen, in een echt co-creatieproces met je partners. In andere partnerschappen, zoals bijvoorbeeld die van de Urban Agenda, ben je meer afhankelijk van de inbreng van andere partners uit verschillende landen, die soms met hun eigen agenda rond de tafel zitten. In die zin kan je ook heel gericht op zoek gaan naar de juiste partners.

Aansluiting met beleidsvisie

“Je kan niet zomaar een project nemen dat je toevallig nog in je schuif hebt liggen. Elke subsidieaanvraag die we indienen, moet sowieso aansluiten bij het globaal Antwerps beleidsplan. In dit geval: een bijkomende manier om de instroom van vluchtelingen te managen en de mensen die zich op je grondgebied bevinden zo goed mogelijk te begeleiden. Vloekt dat met de eis naar innovatie? Niet noodzakelijk. Ons project is het resultaat van een echte samenwerking, echte co-creatie, met onze partners, zoals de UIA dat verwacht.  Het is net onze geïntegreerde aanpak die uniek is en zich door de specifieke combinatie van de verschillende partners en competenties onderscheidt van andere projecten. Dat en de aandacht die we besteden aan de specifieke doelgroep van jongeren en jongvolwassenen.”

Maak een goed dossier

“Klinkt simpel, maar het vraagt tijd. Het is dus een afweging die je als stadsbestuur moet maken, gegeven de kleine kans dat je het haalt, wat bij de vorige call zo’n 5 % was. Het is niet evident om hier medewerkers op te zetten, als je bijvoorbeeld niet beschikt over een specifieke Europese werking. De tijd om aan je dossier te werken is ook heel beperkt. De call werd bekendgemaakt eind 2015, begin maart 2016 hebben we onze potentiële partners samengebracht op een workshop. Nadien hebben we dan nog een reeks aparte sessies met de partners afzonderlijk doorlopen Je hebt ongeveer 3 tot4 maanden de tijd om je project, in heel zijn co-creatief proces, rond te krijgen. De laatste maand hebben we met drie voltijds medewerkers intensief op het project gewerkt.

Terugkijkend zijn we zelf echt wel tevreden over de manier waarop het dossier is ingediend: een goede duidelijke omschrijving van doelstellingen, de inbreng van de verschillende partners, de aansluiting met de Antwerpse en Vlaamse beleidsvisies,… Toch niet eenvoudig omdat veel input wordt verwacht op heel korte termijn en er altijd heel wat onzekere factoren blijven, bijvoorbeeld op vlak van infrastructuur en investeringen.”

Wat als… je het niet had gehaald?

“Ook als we het niet hadden gehaald, was de tijdsinvestering zinvol geweest. Stedelijke diensten leren elkaar in zo’n proces veel beter kennen. Die vlieger gaat zowel op voor de Europese werking als het OCMW. Je moet actief op zoek naar partners en samenwerking, dat kan niet zomaar vanop je bureau.  In de zoektocht naar de juiste partners leer je zo het werkveld kennen, ook binnen je eigen organisatie. De ene kan nuttig zijn voor je project, de andere misschien minder, maar ondertussen heb je wel contacten gelegd en dat kan van pas komen later. Je leert ook te kijken of je het project ook op een andere manier kan realiseren, mits eventuele aanpassingen of met andere subsidies. “

De concurrentie is zwaar, jazeker, maar....

“Kleinere steden hebben vaak een capaciteitsprobleem. Het vraagt inderdaad behoorlijk wat tijdsinvestering, zonder garantie op een goede afloop. Toch zien we dat met name in Italië heel wat kleinere steden een voorstel hebben ingediend. Vaak niet goed genoeg onderbouwd, maar de interesse was er wel. Je kan de UIA niet zomaar afdoen als een instrument voor alleen maar de grote steden. Maar het vraagt natuurlijk wel engagementen.”

“Daar tegenover staat dat er heel weinig Oost-Europese steden zich kandidaat hebben gesteld. Wellicht komt dit omdat de thema’s en gehanteerde criteria – innovatie, coproductie, meetbaarheid – minder relevant zijn voor steden uit Oost-Europa. Zij krijgen bijvoorbeeld heel wat reguliere EFRO-subsidies, waarmee zij projecten kunnen realiseren om te voldoen aan basisbehoeften en –infrastructuur kunnen bouwen, zonder bezig te zijn met de vraag of iets wel innovatief genoeg is. In de toekomst zou het wel de bedoeling zijn om meer interesse van steden uit Oost-Europa los te weken.”

Leren van elkaar

“De financiële injectie is één ding, maar belangrijk is ook dat de geselecteerde steden kunnen leren van elkaar. Het UIA-secretariaat zal daarvoor een online platform opzetten dat het de steden makkelijk moet maken om met elkaar te communiceren en informatie uit te wisselen. Hoe dat precies zal verlopen – alle 18 steden samen of opgesplitst naar thema – is men nog aan het bekijken. Ook dat is interessant. Het UIA-secretariaat is zelf nog op zoek naar de beste manier om alles te verwerken, om het instrument zo goed mogelijk te laten renderen. Daar kunnen we dus ook op wegen. De ervaringen van de winnaars van de eerste call zullen ook gebruikt worden in de communicatie naar andere steden toe. In die zin hebben wij een echte pioniersfunctie. Die rol van kennisdeling nemen we serieus op: we willen duidelijk maken dat we geen concurrenten zijn, maar dat we net gebaat zijn bij een goede uitwisseling van ervaringen. De netwerkvorming gaat overigens verder dan het clubje van de 18 geselecteerde steden. We worden nu al vaak gevraagd om te komen spreken in binnen- en buitenland. De contacten die we zo leggen, verruimen ook onze eigen blik. En het is natuurlijk goed voor de uitstraling van de stad.”

Strak, maar ook soepel

De UIA-calls hanteren een heel strikte termijn, zeker in vergelijking met andere projectoproepen, waar je meer tijd krijgt tussen het moment van de goedkeuring en de feitelijke start van het project. De UIA-projecten worden goedgekeurd in oktober, de looptijd van drie jaar gaat vrijwel meteen in, wellicht omdat ze echt het ritme van één oproep per jaar willen aanhouden. Je wordt dus heel erg gepusht om snel te beginnen. Je project moet met andere woorden startensklaar zijn of al lopende zijn. Dit botst enigszins met het nagestreefde innovatieve karakter van de projecten. Toch willen we ook vermelden dat het UIA-secretariaat heel bereikbaar is en heel erg openstaat voor verbetersuggesties rond de formules van de calls, communicatie, kennisdeling, rapportering of wat dan ook.”

Over CURANT

Over de UIA-calls

  • In de periode 2015-2019 krijgen de Urban Innovative Actions 372 miljoen euro EFRO-middelen.
  • Voor deze call maakt de Commissie 50 miljoen euro vrij.
  • De UIA cofinanciert voor een maximum van 80 %.
  • Projecten staan open voor steden of stedelijke samenwerkingsverbanden met meer dan 50.000 inwoners en moeten innovatief, coproductief, meetbaar, overdraagbaar en kwaliteitsvol zijn.
  • Meer info en nieuws over de UIA-calls, die werd gelanceerd op 16 december, vind je hier

De eerste oproep leverde, per thema, volgende winnaars op:

  • integratie van migranten en vluchtelingen: Antwerpen, München (DUI), Bologna (ITA), Utrecht (NED) en Wenen (OOS)
  •  stedelijke armoede: Barcelona (SPA), Birmingham (GB), Lille (FRA), Nantes (FRA), Pozzuoli (ITA) en Turijn (ITA)
  • energietransitie: Göteborg (ZWE), Parijs (FRA), Viladecans (SPA)
  • werkgelegenheid en vaardigheden in de lokale economie: Madrid (SPA), Milaan (ITA) en Rotterdam (NED)
  • Per land geeft dit 4 steden uit zowel Spanje als Italië, 3 uit Frankrijk, 2 uit Nederland en telkens 1 uit Groot-Brittannië, Duitsland, Zweden en Oostenrijk. En dus ook België.