Netwerken voor een meer inclusieve samenleving: bondgenotenmethodiek

  • 6 juni 2019

10 jaar geleden ontwikkelde de Nationale Politie Nederland (NPN) de ‘bondgenotenmethodiek’. Dit is een netwerkmethodiek die verbinding creëert tussen politie, overheid en burgers. Hiermee wil de Nationale Politie Nederland sociale onrust voorkomen en managen. De methodiek bewees zijn effectiviteit en de Nederlandse politie rolt hem nu uit over heel Nederland.

Over banlieues en Canada… of het ontstaan van een nieuwe werkwijze

In 2005 doen zich in de Parijse banlieues grootschalige ongeregeldheden voor. Ze verspreiden zich in het hele land. Groepen jongeren steken auto’s in brand. Overheidsgebouwen en politie vormen een doelwit. De jongeren lijken geen criminelen, maar gewone inwoners die zich keren tegen de Franse overheid en het politieapparaat. Bij onze noorderburen groeit bezorgdheid voor vergelijkbare rellen. De Nationale Politie Nederland gaat op zoek naar methodieken om ‘de juiste personen aan de politie te kunnen binden’. Ze gaat uit van de veronderstelling dat je om maatschappelijke onrust te voorkomen, moet zorgen voor een goede verbinding tussen bevolking en overheid.

De zoektocht leidt naar Canada. Dit land biedt inspiratie om met de daar gehanteerde werkwijze een nieuwe netwerkmethodiek te introduceren in Nederland. De bondgenotenmethodiek is opgestart in midden-Nederland met Utrecht als belangrijkste stad. Binnenkort viert hij zijn 10de verjaardag. De methodiek blijkt zeer positief uit te pakken en geldt intussen in de betrokken regio als standaardnetwerkmethodiek. Op basis van de positieve ervaringen besliste de NPN recent om de methodiek over heel Nederland uit te rollen.

Momenteel zijn er in midden-Nederland tien bondgenotennetwerken actief. De rest van Nederland telt nog eens 20 à 30 van deze netwerken. Er is wetenschappelijke begeleiding voor de opstartende bondgenotennetwerken. Otta Adang, hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen, bestudeert deze bondgenotennetwerken. Adang is geïnteresseerd in agressie, verzoening en collectief gedrag in relatie tot openbare ordehandhaving.

Geen losstaand initiatief

De nadruk op inclusie en verbondenheid, die de bondgenotenmethodiek beoogt, vertaalt zich ook binnen de organisatiestructuur van de NPN. Binnen het programma Kracht van het verschil’ werkt de organisatie in op vier pijlers: discriminatie, inclusie, verbinding samenleving en vakmanschap.

Zo bundelt het ‘Netwerk divers vakmanschap’ 500 politieagenten met kennis en achtergrond van diverse culturen. Doel van het netwerk is het vakmanschap van collega-politieagenten op te tillen en hen handvatten aan te reiken om te werken met burgers van andere achtergronden.

De bondgenotenmethodiek is te situeren binnen de pijler ‘verbinding samenleving’.

De methodiek in een notendop

De bondgenotenmethodiek is een bijzondere netwerkmethodiek die op lange termijn een stabiel en intens relationeel bondgenootschap tussen overheid, politie en burgers creëert om sociale onrust te voorkomen of beheersbaar te maken. In de methodiek worden daartoe speciaal uitgekozen burgers ‘bondgenoten’. Deze bondgenoten voor wie ‘inclusie’ het hoogste goed is, bouwen samen met overheid en politie aan de veiligheid en geborgen­heid van hun buurt, wijk of stad.

In vier stappen naar een bondgenotennetwerk

Stap 1: afbakening structuur en organisatie van het overleg

De lokale overheid start ALTIJD de methodiek op: zij heeft de lokale regie en neemt het initiatief. Dat initiatief wordt samen met de lokale politie genomen (in Nederland neemt de NPN contact op met het lokale bestuur). Politie en lokaal bestuur overleggen samen hoe zij het bondgenotenoverleg in de gemeente of stad organiseert. De invulling verschilt naargelang de lokale situatie. Soms volstaat één bondgenotenoverleg op gemeentelijk niveau. Vaak echter is het meer aangewezen om een bondgenotenoverleg per district, per wijk of in een aantal (concentratie)wijken op te zetten.

In deze fase wordt afgesproken met wie vanuit de stad of gemeente het bondgenotenoverleg trekt en wie deze taak, afhankelijk van de regio, bij de politie doet.

Stap 2: opsporen van bondgenoten

Nadat de structuur en de organisatie van het lokale bondgenotenoverleg is afgebakend, vormt het opsporen van bondgenoten de volgende stap. Daartoe stellen zowel de stad of gemeente als de lokale politie per afgebakend gebied een lijst van sleutelfiguren op. En dit gebeurt voor elke relevante gemeenschap (bijv. religieuze gemeenschappen, zoals de Joodse, de Islamitische, de Katholieke,… of gemeenschappen naar herkomstland) of groep (bijv. landbouwers, vissers, handelaars, jongeren,...). Sleutelfiguren zijn mensen die optreden of zich opwerpen als vertegenwoordiger van een gemeenschap of groep en die invloed hebben op die groep of gemeenschap. Bij voorkeur is deze lijst zo uitgebreid mogelijk opgesteld met alle potentiële sleutelfiguren.

Daarna worden beide lijsten met elkaar vergeleken. In deze fase houden politie en overheid samen elke sleutelfiguur kritisch tegen het licht. Zij bekijken of de sleutelfiguur ook een bondgenoot kan zijn. Er zijn immers veel sleutelfiguren, maar slechts een beperkt aandeel ervan is in staat ook een bondgenoot te worden. Een bondgenoot is een sleutelfiguur met de juiste intenties: hij of zij wil werken aan structurele inclusie en wil zich inzetten voor de lokale veiligheid.

Daarna krijgen de geselecteerde personen een huisbezoek. In een één-op-één situatie toetst de lokale overheid of de inschatting klopt: zijn de personen voldoende inclusief/hebben ze een open houding naar de samenleving/willen ze verbinden? En tenslotte of ze bereid zijn om mee te werken aan de lokale veiligheid en mee te helpen bij het voorkomen en oplossen van conflicten? Indien de selectie grondig gebeurt, blijft er per regio slechts een handvol bondgenoten over.

Stap 3: samenroepen van het bondgenotenoverleg

Een bondgenotenoverleg bestaat uit de lokale (wijk)politie, het gemeentebestuur (ambtenaar bevoegd voor veiligheid of inclusie, bijvoorbeeld stafmedewerker van de burgemeester, integratieambtenaar, radicaliseringsambtenaar,…) en een aantal individuele burgers: de bondgenoten. De samenstelling en de grootte van het bondgenotenoverleg hangt af van de lokale situatie. In elk geval mag een overleg niet te veel personen omvatten: 15 personen vormt wel het maximum. In de opstartfase gaat het veelal maar om 4 tot 5 bondgenoten, een groep die geleidelijk kan groeien.

Van groot belang is voldoende investeren in de relatie tussen de deelnemers aan het overleg. Dat houdt in dat het geen formele vergaderingen zijn. Primair is het opbouwen van de relatie. Het is zoals ‘vrienden maken’. Tijdens de eerste overlegmomenten wordt bijgevolg uitsluitend ingezet op het creëren van een vertrouwensband en het aangaan van persoonlijke contacten. Een vaak gehanteerde opener is het gebruiken van overlastcijfers of criminaliteitscijfers in de wijk. Pas nadat een drietal overlegmomenten zijn doorgegaan (of langer, afhankelijk van de uitgebouwde band), kan samen worden nagedacht over lokale problemen. Eenmaal de relatie is uitgekristalliseerd, zijn alle onderwerpen bespreekbaar. Alle leden van het overleg kunnen een onderwerp aanbrengen, ook deze die geen politionele of veiligheidsthema’s behelzen.

Om die niet-formele context te benadrukken, is het bondgenotenoverleg ALTIJD gekoppeld aan een maaltijd; samen eten stimuleert het gezellige samenzijn en de wederzijdse contacten.

Het bondgenotenoverleg komt om de zes weken samen. Lokale overheid, politie en bondgenoten hebben elkaars mobiele telefoonnummer, zodat tussentijdse contacten kunnen gebeuren. Ze zijn doorlopend bereikbaar voor elkaar.

Stap 4: samen zorgen voor stad, gemeente of wijk

Bij een crisissituatie, incident of actie in wijk of gemeente contacteert het lokale bestuur of de politie onmiddellijk de bondgenoten. Doelstelling of streefdoel is om het bondgenotenoverleg binnen het uur te kunnen samenbrengen. Naargelang de problematiek benadert de lokale overheid of de politie de bondgenoten ook individueel, los van het overleg.. Het netwerk waarin je investeerde, loont nu. De overheid of politie, kan de bondgenoten ook vooraf op de hoogte brengen van een geplande interventie.

Daarnaast nemen de bondgenoten ook zelf het initiatief om zaken te signaleren en problemen aan te kaarten bij de overheid. De opgebouwde vertrouwensband gaat in twee richtingen. Voorbeelden zijn maatregelen om een ongedierteplaag aan te pakken, pesterijen, sluikstorten, …

Voetangels en wolfsklemmen … of hoe een succesvol bondgenotenoverleg boetseren

De deelnemers aan het overleg zijn gelijkwaardig. Er is geen hiërarchische verhouding tussen politie en gemeente of stad enerzijds en de bondgenoten anderzijds. Voor een lokale overheid is dat vaak lastig: de focus ligt op het SAMEN doen.

De methodiek is maatwerk: het is af te raden de werking uit een andere stad te kopiëren. Elke stad moet er zijn eigen, persoonlijke invulling aan geven, rekening houdend met de lokale situatie.

Wees zeer streng in de selectie van bondgenoten. Sleutelfiguren zijn geen bondgenoten: kies enkel personen waarvan je absoluut zeker bent dat ze voor structurele inclusie gaan en zich willen inzetten voor de veiligheid van de wijk, stad of gemeente. Personen die het moeilijk hebben met bepaalde groepen (bijv. holibi,…) in de samenleving kunnen geen bondgenoten zijn. Evenmin komen personen die enkel voor het belang van de eigen achterban gaan in aanmerking. Kijk tevens uit voor personen die een ‘eigenbelang’ hebben om bondgenoot te willen zijn (bijvoorbeeld aanzien bij de achterban). Kies personen die een werkelijk verschil kunnen maken in de wijk of gemeente: kies daarbij voor de persoon, niet voor de functie.

Vertegenwoordigers van professionele organisaties kunnen geen bondgenoten zijn. Vaak heeft de stad of gemeente wel regelmatige contacten of netwerken met wijkwerkers, samenlevingsopbouw, … Voor bondgenoten gaan we zoek naar ‘gewone’ burgers die wonen in de betrokken regio en dus tussen de bewoners staan.

Waak over de wederkerigheid van het bondgenotenoverleg. Wees ook als overheid steeds luisterbereid en heb de openheid om de bondgenoten (en signalen/vragen uit de gemeenschappen) aan te horen. Dat hoeft niet enkel te gaan om incidenten of veiligheidsaspecten: sta ook open voor andere knelpunten waar de bewoners mee worstelen.

De slaagkansen van het bondgenotenoverleg staan of vallen met een juiste houding en inbreng vanuit de gemeente. Denk dus grondig na over wie vanuit de gemeente lid kan zijn van het bondgenotenoverleg. Gezien het informele en niet hiërarchische karakter is dat best niet de burgemeester of een schepen. De kenmerken van de bondgenoot gelden ook voor de gemeentelijke ambtenaar. Denk hierbij aan de radicaliseringsambtenaar, de integratie- of diversiteitsambtenaar, een wijkwerker, een medewerker van de burgemeester (de burgemeester is immers bevoegd ivoor de openbare orde en veiligheid), …

Hetzelfde geldt voor de politieagent die lid is  van het bondgenotenoverleg. Kijk kritisch wie hiervoor de meest geschikte persoon is. Meestal is dat de wijkagent.

Houd internationale problemen zo ver mogelijk buiten het bondgenotenoverleg. De focus ligt steeds op het lokale niveau: wat is van belang voor de wijk/gemeente?

Zorg voor borging van de (bondgenoten)netwerken in de organisatie. In Nederland beschikt de NPN over een digitale netwerkkaart per district. De netwerkkaart geeft aan wie er actief is in het district, ingedeeld per wijk. Het programma bevat per essentiële lokale gemeenschap (Islamitische, Joodse, Turkse, Marokkaanse, Koerdische,…) gegevens over de sleutelfiguren en de bondgenoten. Daarnaast bevat het gegevens over betrokken wijkpolitie (wie is lid van het bondgenotenoverleg) en eventuele andere relevante informatie over inwoners/groeperingen in de wijk. Het bondgenotenoverleg is initieel opgezet om incidenten te kunnen managen en te voorkomen. Het is dus noodzakelijk om snel en adequaat te kunnen reageren. Dat houdt in dat, ook bij afwezigheid van de gangbare contactpersonen bij stad of politie, de informatie beschikbaar is om aan te wenden..

Door het verband met openbare orde en veiligheid, wat de bevoegdheid van de burgemeester is, is een bondgenotenoverleg dat de gemeente- of stadsgrens overschrijdt niet aangewezen.

Wees ervan bewust dat ‘bondgenotenoverleg’ een investering op lange termijn is. Om te kunnen renderen, moet een bondgenotenoverleg jaren blijven lopen. Je moet er dus blijvend in investeren. Enkel dan kan je in crisissituaties beroep doen op je netwerk.

Meer informatie en ondersteuning?

De methodiek is opgenomen in de databank sociale samenhang.

In de fiche over de methodiek vind je verdere info en contacten.