Artiesten en secundaire gentrificatie

  • 27 november 2018

Tijdens de jaren ‘70 en ‘80 was de status van West-Berlijn bij de rock ’n roll avant-garde niet minder dan mythisch te noemen. En dat was niet alleen aan Lou Reeds Berlin te danken. Reed nam die plaat trouwens in Londen op. Heel wat andere rocksterren trokken wel naar Berlijn, en bleven er hangen: Brian Eno, Nick Cave, Iggy Pop waren er enkelen van. Boven allen troonde superster David Bowie.  Nu trokken die sterren daar niet heen omwille van het leuke klimaat of het mooie uitzicht. Sinds de bouw van de Muur was er een hele alternatieve scène tot leven gekomen. West-Berlijn was een deel van de Bondsrepubliek midden het communistische DDR-paradijs, maar het kende een speciale status. Zo waren de mannelijke inwoners vrij van legerdienst. Nogal wat jongeren zagen dat als een voldoende voordeel om naar de vroegere hoofdstad te trekken. Binnen Berlijn waren bepaalde oude, burgerlijke wijken helemaal niet aantrekkelijk meer: Prenzlauerberg, Kreuzberg en Neukölln boden zicht op de muur en de deprimerende Potsdamer Platz. Nogal wat Turkse migranten woonden er, er was heel wat leegstand. Die Berlijnse wijken werden de kern van een Europese krakershoofdstad. Een subcultuur ontwikkelde zich, met eigen bars, restaurants, winkels. En de legendarische Hansa Ton Studio. De Stasi kon wellicht meeluisteren, zo dicht lag die bij de Muur. Waarschijnlijk noteerden die wijken in Richard Florida’s Bohemian Index met ster. Maar van Florida was er nog geen sprake. Techneuten waren er nog niet, maar dat zou komen. Gentrificatie konden we het ook moeilijk noemen: aantrekkelijk waren de wijken niet, toch niet in de traditionele zin.

Dat die gentrificatie er kwam, was niet te danken aan het stadsplanners. Die hadden niet veel aandacht voor die wijken. Op 9 november 1989 donderde de Muur immers in elkaar. Berlijn werd weer de hoofdstad, en de Potsdamer Platz kreeg zijn vroegere glorie terug. De Muurdistricten lagen plots vlakbij Berlin-Mitte. Het gevolg laat zich raden: zij werden the place to be, en de immobiliënprijzen klommen en klommen: de technologieboys en -girls kwamen eraan.  De alternatievelingen gingen eruit. Oude cafés en restaurants verdwenen. In de plaats kwamen cleane bars en foodstores. Zoals je er overal vindt. De boys en girls konden zich er thuis voeren. Maar, noblesse oblige: de Berlijners organiseerden zich en verzetten zich. En heel af en toe boeken ze een succesje.

In Londen vinden artiesten elkaar al eeuwenlang in de wijk Shoreditch, in East End. Eeuwenlang mag je gerust letterlijk nemen. Britten houden van traditie. De hofnar van Hendrik VIII woonde er, Shakespeare woonde vlakbij, zijn kompaan Marlowe woonde in de wijk. In de jaren ’90 ontwikkelde zich een artistieke scène rond Damien Hirst, een excentrieke Britse artiest (een en ander kan nogal pleonastisch zijn). Hoxton Square was er het zenuwcentrum.

Hier sloegen de stadsplanners wel toe. Als zovelen waren ze betoverd door Florida’s mantra over de “creative class”: artiesten en technologen zouden samen horen en voor grote economische ontwikkeling zorgen. Op 4 november 2010 kondigde eerste minister David Cameron plannen aan om van East End een technologische hub te maken. Silicon Valley was het grote voorbeeld. En het lukte. Door de artistieke scène waren de prijzen al behoorlijk gestegen, maar de technologie-invasie joeg de prijzen door het plafond. Het gevolg laat zich raden. Meer en meer wonderkids overstroomden de immobiliënmarkt. De artiesten vertrokken. Hirst is al lang weg, Rachel Whiteread was de laatste om het zinkend schip te verlaten. Binnen de acht jaar was de transformatie compleet, voorwaar een groot succes voor de visionaire stadsplanners.

Wij kunnen er dus aan twijfelen of Florida’s idyllische visie over een creatieve klasse wel hout snijdt. Wij twijfelen eraan, zoals we twijfelen aan de meeste idyllische visies en utopieën. Wij vrezen dat bohémiens en ingenieurs misschien wel eenzelfde wijk bevolken, maar dat dat meestal niet lang duurt. Daarvoor is het economische en sociale gewicht van de technologische sector te groot: de prijzen stijgen, en de ongebonden artistieke sfeer wijkt voor de cleane looks.

Sinds enkele jaren zien wij in veel landen een secundaire gentrificatie. Daar zorgen hypermoderne transportmiddelen en communicatiemiddelen voor. De TGV bracht Bordeaux op een stap van Parijs. Mensen die de hoge immobiliënprijzen niet meer wilden ophoesten, verkozen Bordeaux boven de grauwe banlieue. Telewerk zorgt ervoor dat zij niet elke dag de treinrit moeten afhaspelen. De gevluchte Berlijners vinden een nieuwe stek in de Saksische hoofdstad Leipzig. De Londense hipsters landden in Sussex en Kent. Hastings en Margate lijken elkaar de twijfelachtige eretitel “Shoreditch on Sea te betwisten. Twijfelachtig zeggen wij, want als de geschiedenis zich herhaalt, landt binnenkort de andere sector van de technologische klasse.

In al deze steden in de “periferie” zien we een gelijkaardig fenomeen.  Door de gestegen vraag, en de draagkracht van de inwijkelingen stijgt de woningprijs, en de oorspronkelijke bewoners kunnen de concurrentie niet aan. In streken zonder een degelijk openbaar vervoer is dat problematisch voor mensen die hun job in de stad hadden. In huurdersland Duitsland neemt de Mietkrise in de steden dramatische vormen aan.

Nu moeten wij natuurlijk niet verwonderd zijn. Als de steden aantrekkelijker worden, is het nu eenmaal logisch dat er ook rijkere inwoners naar de stad komen wonen. Dat was trouwens de bedoeling. Een sociale mix lijkt misschien mooi, maar ook onbetaalbaar: de overheden lijken dit niet te kunnen ophoesten. In Berlijn was de politieke wil om dit te doen er wel, maar er zijn nooit genoeg centen om de markt beslissend te beïnvloeden.

 Maar wellicht mogen wij niet te pessimistisch zijn. Niet alleen is deze gentrificatie niet te vermijden. Er komen weliswaar andere mensen wonen, maar de stad loopt niet leeg. Misschien veranderen de looks van de steden, maar meestal worden zij er netter en leefbaarder op. Maar dat was voor de toeristische “deel-economie” toesloeg.